Zuideuropese gemeenschappen

Onder Zuideuropese gemeenschappen worden verstaan de gemeenschappen van personen uit Bosnië-Herzegovina, Griekenland, Italië, Kaapverdië, Kroatië, voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro, Portugal, Servië, Slovenië en Spanje en hun nakomelingen. In totaal gaat het om bijna 200.000 personen.

De term Zuid-Europeanen is in het verleden op pragmatische gronden tot stand gekomen en is geen afbakening van de Zuideuropese nationaliteiten. Personen uit Bosnië-Herzegovina, Griekenland, Italië, Kaapverdië, Kroatië, voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Montenegro, Portugal, Servië, Slovenië en Spanje en hun nakomelingen zijn ingelijfd in het containerbegrip Zuid-Europeanen.
De mate van emancipatie, participatie en integratie in de Nederlandse samenleving verschilt per nationaliteitsgroep. Er zijn ook verschillen in cultuur, organisatie en rechtspositie van de verschillende groepen. De Kaapverdianen zijn geen Zuid-Europeanen, maar zijn op grond van hun koloniale banden met Portugal ondergebracht bij de Zuid-Europeanen. Na het uiteenvallen in 1991 van de Federale Socialistische Republiek Joegoslavië zijn Slovenië, Kroatië, voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Bosnië-Herzegovina, Servië en Montenegro zelfstandige republieken.
Binnen de groep Zuid-Europeanen zijn drie clusters te onderscheiden: personen en hun nakomelingen uit


Zuid-Europeanen in Nederland: Meer dan 200.000 anno 2009

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) geeft de volgende aantallen voor het jaar 2009. 

Omdat de registratie van de personen afkostig uit de landen die deel uitmaakten van Joegoslavië nog steeds gebrekkig is wordt de term voormalig Joegoslaven gebruikt. Het CBS heeft een schatting gemaakt van de omvang van de verschillende gemeenschappen uit voormalig Joegoslavië. In de tabel hiernaast de schatting op basis van de gegevens uit 2004.
Hier vindt u een document met de uitleg van de methode en extra gegevens.




De spreiding en consentraties van Zuid-Europeanen in Nederland kunt u raadplegen door het document hieronder te openen.

open bestand: open: Zuid-Europeanen per stedelijke agglomeratie 2007.xls


Zuid-Europeanen in Nederland: een historische schets door Jan Lucassen en Rinus Penninx

Vanaf de Middeleeuwen kan de aanwezigheid van Zuid-Europeanen in Nederland worden aangetoond. Schematisch kunnen we, al naar de intensiteit van de migratie, drie periodes onderscheiden. Allereerst de tijd vóór ongeveer 1900, toen hun aanwezigheid nooit meer dan 1.000 personen zal hebben bedragen en dus - op een bevolking die groeide van een tot vijf miljoen inwoners - minder dan een promille. In de eerste helft van de twintigste eeuw neemt het aantal Italianen, maar ook Slovenen toe en kan met enkele duizenden Zuid-Europeanen de een promille zijn bereikt. De derde en laatste periode breekt aan met de grootscheepse vestiging, nu niet meer uit enkele landen, maar uit het hele gebied, sinds de jaren van de zgn. 'gastarbeid' in de jaren vijftig. Later werd deze immigratie gecontinueerd in de vorm van enerzijds vrije vestiging binnen de Europese Unie en deels in de vorm van vluchtelingen uit het uiteen vallende Joegoslavië. We komen dan in de orde van grootte van één procent van de bevolking.


Zuid-Europeanen in Nederland: minieme aantallen tot 1900

Vanaf de Late Middeleeuwen tot aan het begin van de twintigste eeuw zijn Zuid-Europeanen al actief in Nederland, zij het in kleine aantallen en dikwijls zonder veel continuпteit. Er zijn twee uitzonderingen op deze regel: incidenteel vochten hier grote aantallen soldaten uit Zuid-Europa en daarnaast vond vooral in de zeventiende eeuw een belangrijke vestiging van “Portugese joden” plaats.
Overwegend gaat het dus om kleine aantallen, zowel absoluut als relatief. Vanaf de volkstelling van 1849 beschikken we iedere tien jaar over landelijke cijfers van in het buitenland geborenen, later van inwoners met een buitenlandse nationaliteit. Voor Duitsland, België, Frankrijk en Groot-Brittannië samen betekende dit in 1900 ongeveer een procent van de bevolking. Alle andere nationaliteiten samen, met name Scandinaviërs, Oost- en Zuid-Europeanen maken dan minder dan een promille uit van de mannen in Nederland en een half promille uit van de vrouwen. In totaal zullen er rond de eeuwwisseling zeker niet meer dan 1.000 Zuid-Europeanen in Nederland hebben gewoond, waarvan de Italianen het grootste deel uitmaakten.
Voor eerdere jaren moeten we het doen met locale en dus fragmentarische gegevens maar er is weinig reden om aan te nemen - dit in tegenstelling tot andere immigranten, vooral Duitsers - dat de Zuideuropese aanwezigheid in Nederland toen indrukwekkender zal zijn geweest. Nemen we als voorbeeld de stad Utrecht, want daarvoor hebben we wat meer vroege gegevens. In de volkstellingen van 1829 en 1839 die hier toevallig bewaard zijn komen we slechts respectievelijk 12 en 20 Italianen tegen en in 1829 nog een Spanjaard. Andere Zuid-Europeanen ontbreken. In de tweede helft van de negentiende eeuw veranderde dit beeld niet.
Ook elders blijken Italianen veruit het belangrijkst te zijn en dank zij een speciale studie over Groningen beschikken we over een mooi overzicht van de beroepen die Italiaanse specialisten vanaf circa 1700 ook in Nederland uitoefenden. Dat het ook elders vooral om Italianen gaat wordt door de studies over de andere steden bevestigd. In volgorde van belangrijkheid gaat het om schoorsteenvegers uit de Italiaans (Piлmont)-Zwitserse (Ticino) grensstreek ten westen en noorden van het Lago Maggiore en ten noorden van het Como-Meer, de stukadoors uit de omgeving van dezelfde meren, de gipsenbeeldenmakers uit Toscane en Lucca, de muzikanten, toneelspelers, goochelaars uit onder andere Napels en tot slot nog kleinere groepen zoals bijv. instrumentmakers, zijdehandelaren en paraplumakers en -reparateurs. Tot slot moeten we nog de Bosnische (en enkele Italiaanse) berenleiders noemen. Vanaf 1868 werden zij regelmatig in Nederland gesignaleerd.
Zoals gezegd zijn er twee uitzonderingen op de regel dat Zuid-Europeanen voor 1900 slechts in kleine aantallen kwamen. Allereerst de soldaten in de tijd van de huurlegers. De bekendste recruteringsgebieden voor beroepssoldaten waren Zwitserland en Zuid-Duitsland, Schotland en Ierland, maar daarnaast waren ook soms Spanjaarden, Italianen en Kroaten goed vertegenwoordigd. Dit soort migranten verbleef hier per definitie tijdelijk en in het geval van de laatstgenoemde groepen alleen tijdens veldtochten. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog bestonden de Spaanse legers hier niet alleen uit Spanjaarden, maar ook uit Italianen. Het Spaanse wereldrijk omvatte immers ook grote delen van het huidige Italië. Tot slot hebben in het zuiden nog Kroaten onder bevel van de Italiaan Ottavio Piccolomini als bondgenoten van de Spanjaarden geopereerd.
Als tweede uitzondering noemden wij de Portugese joden. De eersten trokken na de val van Antwerpen in 1585 van daar naar Amsterdam. De nieuwe commerciële hoofdstad van Europa was niet alleen aantrekkelijk voor hen als kooplieden, maar ook vanwege de godsdienstvrijheid. Als afstammelingen van joden die gedwongen waren tot het katholicisme over te gaan keerde een aantal van hen terug naar de godsdienst van hun voorvaderen. Zo ontstond de Amsterdamse Sefardisch-joodse gemeenschap die weer nieuwe geestverwanten van het Iberisch Schiereiland aantrok en uitgroeide tot enkele duizenden personen, inclusief de gemeentes die in andere plaatsen ontstonden, zoals bij voorbeeld in Den Haag.